Column: Het is hier geen Efteling!

Een duidelijke boodschap...
Foto: Roelof

Minimaal eens per maand heb ik de behoefte om naar Amsterdam te gaan en me onder te dompelen in het rumoer van de ‘grote’ stad. Niets prettiger dan anoniem rond te lopen en naar mensen te kijken. En de sensatie om bijna omver gereden te worden door een toerist die waarschijnlijk voor het eerst van z’n leven op een fiets zit. Of de man die samen met z’n vrouw de weg naar het ‘red light district’ vraagt. Naast hasj nog steeds het bekendste visitekaartje van onze hoofdstad. Hoffelijk wijs ik de weg, want ik ben tenslotte een man van de wereld.

Tijdens mijn bezoeken aan de hoofdstad is er een winkel die ik bijna nooit oversla, namelijk de tabakszaak P.G.J. Hajenius. Een Walhalla voor sigaren- en pijprokers. Ik moet namelijk iets bekennen: ik rook op z’n tijd graag een sigaartje. Hajenius straalt nog een 19e eeuwse hoffelijkheid uit. Toen roken nog iets voor heren was die samen kwamen om een pijpje te smoren en van de rust en een goed glas te genieten. Roken werd zelfs door dokters aanbevolen. Er zou een geneeskrachtige werking vanuit gaan.

Maar waarom een column over tabak. Gisteren werd bekend dat De Efteling in de rij wachtenden voor de toegangspoort een rookverbod heeft ingesteld. Om de arme kindertjes te beschermen. Een maatregel die ook elders navolging krijgt. Ook als het geen 1 aprilgrap is, vind ik dit een GOEDE zaak, omdat je kinderen niet onnodig in de rook moet zetten. Maar er is ook een dubbele moraal. Hoe zijn die kinderen bij de Elfteling gekomen. Vast niet lopend, maar misschien wel in een stinkende rook en roet verspreidende diesel. Die af en aan rijden op het terrein waar die arme Eftelingkindertjes in de rij staan te wachten. Maar goed: alle beetjes helpen, denk ik dan maar.

Toch vind ik dat niet-rokers een beetje aan het doorslaan zijn. Na de aankoop van mijn sigaren, liepen we – mijn dochter was mee – naar de auto. Onderweg stopten we bij een café voor een drankje en… sigaartje. Wegdommelend in een heerlijk lentezonnetje, werd ik aangesproken door een vrouw of we van plaats konden wisselen. Ze had last van mijn rook. Nu is dat helemaal niet mijn bedoeling. Omdat ze wat pinnig klonk, pareerde ik haar opmerking met een grapje: “U zit inderdaad in mijn rook. Maar een troost: Het is wel hele dure rook”. Haar man kon hartelijk om deze opmerking lachen en begon een gezellig praatje. Even dacht ik dat ik in een televisiereclame voor tolerantie en rekening houden met elkaar was aangeland. Zelf vond ik het heel goed dat ze me aansprak, omdat ik niet wil dat iemand last van mijn sigarenrook heeft. Ik was me er echt niet van bewust.

Meestal gaan mensen overdreven hoesten. Ook als ze op twintig meter afstand staan. Neem maar van mij aan dat dit niet helpt en alleen maar irritatie oproept. En bovendien hypocriet. Ik ga tenslotte ook niet hoesten als een auto, of nog erger, een brommer, langs rijdt. Of een boer ga stalken, omdat zijn koeien bijdragen aan het broeikaseffect… Wat ik wil zeggen: We hebben allemaal boter op ons hoofd, waarbij mijn sigaartje in de openlucht nog maar een kleine zonde is. Dat wil niet zeggen dat u mij er niet op aan mag spreken als u last van mijn sigarenrook hebt. INTEGENDEEL! Maar u kunt ook gewoon meegenieten van de heerlijke geuren van de fijnste tabakssoorten in mijn Petit Corona Sumatra.

Seuntje

PS: En natuurlijk weet ons Seuntje dat roken slecht voor de gezondheid is. En het roken in de buurt van kinderen vermeden moet worden. Na de geboorte van mijn dochter heb ik – toen nog als verstokte sigarettenroker – alleen nog maar buiten gerookt. Even later ben ik gestopt op dat ene ‘zondesigaartje’ per dag…